Eerlijk Delen van de Ruimte in pandemietijd

In de themareeks Coronastad van het platform Stadsleven o.l.v. Tracy Metz publiceerde ik op haar uitnodiging een artikel over het delen van ruimte en daarbij horende dilemma’s.

 

Toeschouwer ben ik uit een hoge toren,

Een ruimte scheidt mij van de wereld af,

Die ‘k kleiner zie en als van heel ver-af

En die ik niet aanraken kan en horen.

(uit: De Wandelaar, Martinus Nijhoff)

 

Foto Kees Joosten

 

In coronatijd is het worstelen, niet alleen met geld en gezondheid, maar ook met de ruimte. We moeten wennen aan afstand houden, to put it mildly. Nieuwe mores, nieuwe regels, maar nog geen nieuwe ruimte-etiquette? We worden er ook allemaal door overvallen, vooral in ons persoonlijk leven – dat heb ik ook beschreven in een column voor Gebiedsontwikkeling.nu.

Zoals poëzie soms in de ruimte tussen de letters of woorden zit, zo zit nu ineens het leven in de ruimte tussen ons in. Coronatijd maakt coronaruimte.  De regel van anderhalve meter maakt de openbare ruimte tot een spel van geven en nemen. Dat geeft dus stress in plaats van ontspanning. Mensen gaan erover denken de stad vaarwel te zeggen: ‘Waarom benauwt mij de stad ineens, waarom hier blijven?’. In de New York Times voorspelt Michael Kimmelman een nieuwe suburbanisatiegolf. Zelfs Sylvia Witteman is via Twitter op zoek naar een buitenhuis!

De door het rijk opgelegde maatregel van anderhalve meter afstand lijkt voor iedereen adequaat en ‘rechtvaardig’. Maar de praktijk werkt anders uit. Wie heeft er ruimte, in huis of daarbuiten, en wie neemt hem in?

Wij wonen in een prettig huis in Amsterdam, met een balkon, zelfs een stadstuintje en vrij zicht op een mooi stadsparkje. Woongeluk. Vlak bij ons wonen mensen zonder balkon, zonder tuin, die bepaald kleiner behuisd zijn. Dat verander je nu uiteraard niet. Maar buitenshuis is de ruimte wel te verdelen of reguleren – en daar wordt nu de onderliggende solidariteit (of gebrek daaraan) pregnant aan de orde gesteld.

Onbewust maar massaal eisen we ruimte op

Dat begint met de zondaars tegen de anderhalve meter. Zij accepteren niet alleen dat ze zelf besmet kunnen worden, maar ook dat ze anderen – onder wie kwetsbaren – kunnen besmetten. Bewust of onbewust. Zij némen ruimte.

Maar als allen die thuis ‘de ruimte hebben’ dit ook buiten opeisen, gaat het wringen. Zeker als dit ten koste gaat van juist hen, die door bijvoorbeeld krappe behuizing meer behoefte hebben aan die ruimte, om zowel fysiek als mentaal gezond te blijven.  Vrijheid in de openbare ruimte opeisen ten koste van anderen is de ander gevangenhouden.

De vraag ‘Who owns the city?’ – populair bij ideologisch gedreven stadsdenkers – wordt in 21ste-eeuwse coronatijd ineens heel concreet en confronterend, als hij wordt geherformuleerd als ‘Who owns space?’. Mijn indruk is dat we ook daar onbewust oneerlijkheid toestaan. Je zou toch veronderstellen dat mensen die op driehoog achter wonen, zónder buitenruimte, een streepje voor hebben. Of dat ouderen ook recht hebben op stadsgroen, dat nu goeddeels door de jongere garde wordt ingenomen.

Na de intelligente lockdown nu de eerlijke lockdown

In de Middeleeuwen had het stadsbestuur er geen moeite de gezondheid van allen te beschermen door mensen die gevaar voor besmetting vormden – veelal de armen – zonder pardon uit de stad te verdrijven. Ons lukt het niet dergelijke maatregelen op de agenda te zetten. In de praktijk heersen vrijheid én anarchie, het recht van de sterktste.

De ‘oudjes’ mogen wel van 7 tot 8 in de supermarkt. Maar waarom hebben we geen ‘eerlijke lockdown’ waarin de stadsparken tussen 9 en 12 aan de ouderen zijn, en dus jongerenvrij? Het zou kunnen, maar vraagt een regulering die de burger vandaag de dag niet meer pikt en een gezag dat ‘middeleeuws’ streng en regulerend zou zijn.

Toch is er wat voor te zeggen, als we de stad in de toekomst pandemieproof willen krijgen. Nu waren de stad, zijn bewoners en het bestuur er gewoon nog niet klaar voor om te reguleren naar tijd en ruimte. We houden het op anderhalve meter.

Is dit een groot probleem? Nog niet. Maar naast eerlijk delen van geld, mag ook het eerlijk delen van de ruimte op de agenda van een inclusieve post-coronastad. De stad is per definitie divers en moet dus van iedereen zijn, altijd. Openbare ruimte moet juist in pandemietijd ‘deelbaar’ zijn of worden, ook voor kwetsbaren en kleinbehuisden (al moeten stadshuizen eigenlijk verplicht buitenruimte hebben). Het feest van de openbare stadse ruimte veronderstelt echter een moraliteit en gedrag, die bij de burger van de individualiserende samenleving in coronatijd niet per se aanwezig is.

Dat gedrag veranderen wordt moeilijk. We zullen dus veel met fysieke maatregelen moeten oplossen. Ik moest hierbij onwillekeurig denken aan de studie Stad van de Toekomst (BNA-Onderzoek, 2019). Naast analyses en ontwerpen staan er warme pleidooien in voor steden met heel veel openbare ruimte voor wandelaars en fietsers. Voorbeelden waarbij zelfs in tijden van pandemische rampen iedereen kan ademen. Iedereen heeft recht op ademruimte. Laat dat een les uit coronatijd zijn.

 

 

Labels:, , ,